Advies Omgevingswet in de praktijk

Een tuinhuis zonder vergunning bouwen kan aardig wat gevolgen hebben. Wat begon als een ogenschijnlijk kleine overtreding, groeide uit tot een complexe juridische kwestie. Voor een Brabantse gemeente verdedigde collega Freyja Ricken-Cleven namens het college van burgemeester en wethouders de afwijzing van een omgevingsvergunning en een daaropvolgend handhavingsbesluit. Wat speelt er in zo’n zaak? En hoe komt een juridisch adviseur tot een succesvolle afloop?

De casus: een tuinhuis buiten de regels

In deze zaak had de eigenaresse van een woonperceel een tuinhuis gebouwd – buiten het bouwvlak zoals toegestaan in het omgevingsplan. Volgens die regels mag bebouwing alleen binnen een vastgesteld bouwvlak plaatsvinden om het groene karakter van de omgeving te behouden. Daarnaast overschreed het tuinhuis de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte op het perceel.

De gemeente reageerde door een handhavingsprocedure te starten. Dat betekende dat de eigenaresse het tuinhuis moest verwijderen, anders riskeerde zij een dwangsom. Ze probeerde het tuinhuis alsnog te legaliseren door een omgevingsvergunning aan te vragen. Dat werd door zowel de gemeente (na bezwaar) als later de rechtbank afgwezen.

De zaak voor de rechter

Uiteindelijk kwam de zaak op 11 maart 2026 terecht bij de Rechtbank Oost-Brabant. Hier werden drie zaken tegelijkertijd behandeld. Namens het college van B&W van de gemeente traden Freyja Ricken-Cleven, adviseur bij Haute Equipe die werd ingehuurd door gemeente, en haar collega vanuit de gemeente op. De drie belangrijkste vragen die in deze rechtzaak centraal stonden, waren als volgt:

Freyja Ricken-Cleven - Adviseur omgevingsrecht | Haute Equipe

1. Hoe omgaan met urgentie bij dwangsommen?

Door tijdig een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen, probeerde de eigenaresse te voorkomen dat zij de dwangsom zou moeten betalen. De rechtbank wees dit echter af, verwijzend naar het eerdere oordeel over het handhavingsbesluit. Pas na de uitspraak kon zij besluiten of zij hoger beroep zou instellen.

2. Mag het college de omgevingsvergunning weigeren?

De eigenaresse stelde dat het tuinhuis binnen de bebouwingsnormen viel én dat de gemeente een afwijkingsmogelijkheid van 10% had kunnen toepassen. De rechtbank oordeelde anders: het tuinhuis voldeed in geen enkel opzicht aan het omgevingsplan. Het stond buiten het bouwvlak, overschreed de maximale oppervlakte voor bijgebouwen en had een grotere omvang dan toegestaan. Daarnaast mocht de gemeente de vergunning weigeren vanwege beleid: het behoud van het groene karakter en de uitstraling van bosvillawijken.

3. Was handhaving terecht?

Omdat de rechtbank de weigering van de vergunning terecht vond, stond vast dat er sprake was van een overtreding. Handhaving was daarom geoorloofd, volgens de rechtbank. Er was geen sprake van bijzondere omstandigheden die ervoor zorgen dat van handhaving af had moeten worden gezien. De opgelegde last onder dwangsom was rechtmatig. Wel verlengde de rechtbank de begunstigingstermijn, zodat de eigenaresse nog vier weken tijd had om verdere stappen te ondernemen, bijvoorbeeld voor het verwijderen van het tuinhuis of om in hoger beroep te gaan.

Waarom deze uitspraak belangrijk is

Deze zaak laat zien hoe interessant en tegelijkertijd complex het omgevingsrecht kan zijn. In de uitspraak komt de uitwerking van de vergunningsvrije regels door middel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (het voormalige bestemmingsplan) mooi naar voren. Kleine details – zoals de interpretatie van het oorspronkelijke hoofdgebouw, een bouwvlak of bouwperceel – maken een groot verschil. Ook komt de beleidsruimte en belangenafweging ter sprake, bij de vraag of het college terecht heeft geweigerd om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de regels van het omgevingsplan. Het bewijst dat gemeenten beleidsruimte hebben en niet altijd een omgevingsvergunning kunnen of willen verlenen, zelfs als er sprake is van een beperkte (bebouwings)toename. Tot slot zijn deze uitspraken bijzonder, omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in zowel de voorlopige-voorziening-zaak, als in de twee hoofdzaken (handhaving en weigering omgevingsvergunning). Normaal gesproken zit er een tijd tussen de uitspraak in de voorlopige voorziening-zaak en de uitspraak in de bodemzaak. 

Voor juristen die met zaken rondom de Omgevingswet werken, zijn er drie lessen uit deze uitspraak te leren:

1. Snel schakelen bij dwangsommen voorkomt onnodige schade.
Het verzoek om een voorlopige voorziening gaf in dit geval geen soelaas, en was een strategische zet om tijd te winnen. Zeker in zaken met financiële gevolgen (zoals dwangsommen) is timing van belang.

2. Interpretatie van termen in het omgevingsplan is cruciaal.
Terminologie rond bouwpercelen, bouwvlakken en bebouwingsnormen kan gevolgen hebben voor de uitkomst van een zaak. Juridische precisie is daarbij onmisbaar.

3. Beleid weegt zwaar bij afwijzing van vergunningen.
Een gemeente hoeft een vergunning niet te verlenen als dit in strijd is met beleidsdoelstellingen, zoals het behoud van groene omgeving. Dit geldt ook als buren geen bezwaar maken of bij een (beperkte) overtreding.

Wil jij net als Freyja werken aan Omgevingswet-vraagstukken bij gemeenten? Kijk dan naar onze vacature als Adviseur Jurist Omgevingsrecht.

Freyja Ricken-Cleven - Adviseur omgevingsrecht | Haute Equipe
Freyja Ricken-Cleven
Juridisch adviseur omgevingsrecht